werkwoordelijke uitdrukkingen

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041
Across
  1. 3. achter het...vissen = iets mislopen
  2. 4. iemand op de...jagen = iemand boos maken
  3. 7. iets van...vegen = meteen afwijzen
  4. 10. de...indrukken = snel zorgen dat iets ophoudt
  5. 11. ...vangen = niet krijgen wat je wil
  6. 13. de...terugkaatsen = een tegenvraag stellen
  7. 14. ...zijn = zoveel geld dat je niet meer moet werken
  8. 15. het...kiezen = vluchten
  9. 17. door de...vallen = ontmaskerd worden als bedrieger
  10. 19. op...zijn = goed bezig zijn
  11. 23. in de...slepen = iets behalen
  12. 25. de...opmaken = bekijken hoe het gelopen is
  13. 27. de...blazen = terugtrekken uit moeilijke situatie
  14. 28. je...verleggen = iets doen wat je dacht niet te kunnen
  15. 29. de...uitvegen = iemand streng berispen
  16. 31. ...draaien = helemaal niets doen
  17. 32. de...steken met iemand = met iemand spotten
  18. 33. uit z'n...gaan = superenthousiast zijn
  19. 35. de...kwijtraken = in de war raken
  20. 38. ...halen = je ongelijk toe moeten geven
  21. 40. iemand iets in de...schuiven = de schuld doorschuiven
  22. 41. iemand de...lezen = iemand berispen
Down
  1. 1. de...dragen = de baas zijn
  2. 2. de...geven = sterven, stuk gaan
  3. 5. uit zijn...schieten = boos worden
  4. 6. met de...vertrekken = snel, stiekem vertrekken
  5. 8. de...afsteken = van iemand winnen
  6. 9. de...uitsturen = ontslaan
  7. 11. een...lopen = je aanzoek wordt afgewezen
  8. 12. zijn...halen = wraak nemen na een nederlaag
  9. 14. je...pakken = ergens weggaan
  10. 16. de vuile...buiten hangen = over onaangename zaken spreken tegen buitenstaanders
  11. 18. in...vallen = mislukken
  12. 20. een...slaan = een domme fout maken
  13. 21. de...missen = een kans mislopen
  14. 22. iemand een...bakken = een grap uithalen met iemand
  15. 24. het...verliezen = in de war raken
  16. 25. de...nemen = ervandoor gaan
  17. 26. ...betalen = leren uit je fouten
  18. 30. in de...slaan = niet opvolgen
  19. 31. de...ontspringen = ontkomen
  20. 34. de...uit het vuur halen = een ander het risicovolle werk laten doen
  21. 36. iemand om de...leiden = iemand bedriegen
  22. 37. de...op zijn kop slaan = precies benoemen waarover het gaat
  23. 39. door het...zakken = falen