Werkwoorden tegenwoordige tijd

1234567891011121314
Across
  1. 2. ... jij een nieuwe fiets? (hebben)
  2. 4. Het huis ... plat tot op de grond. (branden)
  3. 7. Jij ... naar muziek van Justin Bieber. (luisteren)
  4. 8. Hij ... een appel. (eten)
  5. 10. Simon en Ine ... een warme chocolademelk. (willen)
  6. 11. Mijn mama ... dat een mooie jurk! (vinden)
  7. 12. Ik ... later juffrouw. (worden)
  8. 14. Hij ... een jongere zus.(hebben)
Down
  1. 1. Jullie ... om 20u met de trein. (vertrekken)
  2. 3. ... jij naar school morgen? (gaan)
  3. 5. Cédric ... mij een geheim. (vertellen)
  4. 6. Wij ... van rustige muziek. (houden)
  5. 9. Ik ... naar een sprookjesfilm. (kijken)
  6. 10. Hij ... ziek. (worden)
  7. 13. Hallo, ik ... Joren! (zijn)