Across
- 3. Het vuur ... goed. (branden)
- 4. ... je vandaag op Zavemtem? (landen)
- 8. Pim ... net de buurman. (groeten)
- 9. Jullie ... vorige maand een groot feest. (geven)
- 11. Wie heeft er ...? (kloppen)
- 14. Dat ... vorige week erg vals! (klinken)
- 16. Hij ... gisteren naar huis. (reizen)
- 17. De juffen ... gisteren alles voor de schoolreis. (regelen)
- 18. ... jij een lekkere taart? (bakken)
- 19. De helikopters ... net bij het ziekenhuis. (landen)
- 21. Eergisteren ... jullie ook al op de deur. (bonzen)
- 22. Hoe lang heb je daar ...? (werken)
- 24. Een uur geleden ... de hond uit. (laten)
Down
- 1. Opa ... zich voor de wedstrijd (haasten)
- 2. De ober ... ons koffie. (brengen)
- 5. Gisteren ... we hem naar het station. (brengen)
- 6. Opa en oma ... net een verjaardagstaart. (proeven)
- 7. ... jij altijd zo? (kijken)
- 10. We ... samen een liedje! (fluiten)
- 12. Ik ... gisteren niet! (praten)
- 13. Peter ... heel vaak! (schelden)
- 15. Heb jij dat boek al ...? (lezen)
- 20. Koen ... vorige week niet op de achtbaan. (durven)
- 22. We ... vanochtend in de zandbak. (graven)
- 23. Wij ... jullie daarnet! (roepen)
