Across
- 3. (10), weglopen (VDW) Zij zijn ...
- 4. (8), verbazen (VDW) ik was erg ...
- 7. (10), ontmoeten (VT) wij ... de koning!
- 9. (5), lopen (VT) Piet ...
- 10. (4), breken (VT) Joost ... de spiegel
- 11. (7), vrezen (VT) ik ... voor mijn leven
- 12. (6), huilen (VT) Emma ...
- 16. (5), staan (VT)daar ... een boom
- 17. (8), plannen (VDW) De ... reis
- 19. (7), zijn (VDW) Wij zijn naar school ...
Down
- 1. (8), checken (VDW) heb jij dat ...
- 2. (8), regenen (VDW) Het heeft ...
- 5. (9), voorspellen (VDW) de regen was ...
- 6. (9), schorsen (VDW) Kim is ...
- 8. (4), houden (TT) .... de deur open!
- 13. (7), blaffen (VT) de honden ...
- 14. (5), worden (TT) Jan ... morgen 20 jaar
- 15. (5), sparen (TT) ik ... elke maand
- 17. (8), fietsen (VDW) wij hebben ...
- 18. (5), zingen (TT) Maria ... een lied
