Across
- 3. (7) vrezen (VT) Ik ... voor mijn leven.
- 4. (7) zijn (VDW) Wij zijn naar school ...
- 5. (9) schorsen (VDW) Kim is ...
- 8. (8) checken (VDW) Heb jij dat ...
- 10. (4) blaffen (VT) De honden ...
- 11. (8) verbazen (VDW) Ik was erg ...
- 14. (5) staan (VT) Daar ... een boom.
- 15. (10) weglopen (VDW) Zij zijn...
- 17. (4) houden (TT) ... de deur open!
- 18. (5) lopen (TT) Piet ... naar de bus.
- 19. (8) plannen (VDW) De ... reis.
Down
- 1. (8) fietsen (VDW) wij hebben ...
- 2. (5) zingen (TT) Maria ... een lied
- 6. (10) ontmoeten (VT) Wij ... de koning!
- 7. (8) regenen (VDW) Het heeft ...
- 9. (4) breken (VT) Joost ... de spiegel.
- 12. (5) worden (TT) Jan ... morgen 20 jaar.
- 13. (9) voorspellen (VDW) De regen was ...
- 14. (5) sparen (TT) Ik ... elke maand 10 euro.
- 16. (6) huilen (VT) Emma ...
