WIJSBEGEERTE in een nieuw jasje 2

12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Across
  1. 1. Het gebruik van taal bij Wittgenstein II is eindig, tijdelijk en dus relatief. Dit zorgt m.a.w. voor een diversiteit gebonden aan de specifieke context van het gebruik en de sociale activiteit. Welke term gebruikt hij hiervoor?
  2. 3. Volgens Saussure is taal een systeem van '...' (Frans) die op zichzelf een binaire eenheid vormen.
  3. 4. De theorie die ervan uit gaat dat een propositie betekenis heeft omdat ze een mogelijke stand van zaken afbeeldt in de werkelijkheid, bij Wittgenstein I.(let op: voor spatie gebruik je "*")
  4. 7. Volgens Lacan komt de binaire eenheid van betekenaar en betekende alleen tot stand in een zin, 'la ... sigifiante'.
  5. 9. Ideaal van Plato, steunend op de onveranderlijke vormenwereld, voorwerp van onderzoek bij Foucault als 'historisch a priori' staat tegenover 'doxa' die de gangbare opinie is, gestoeld op de zintuiglijke wereld
  6. 10. Welk basisprincipe en fixatie van Westerse talen suggereert een oorzakelijk verband tussen het gesproken woord en de verschriftelijking ervan? (Derrida)
  7. 12. Onderzoek naar de oorsprong en evolutie van disciplinering (vaststelling: verandering door andere types maatschappij en het beheersen van de lichamen), term van Nietzsche
  8. 13. Benaming voor een type gevangenissen ontwikkeld door filosoof Bentham als de ideale architectuur voor gevangenissen met een mechanisme van permanente observatie, 'kroongetuige' in Foucaults 'Surveillir et Punir'
  9. 15. Lacans systematische orde van denken en handelen waar de persoon zichzelf een vaste identiteit geeft via beelden; analoog met onderdelen psyche van Freud
  10. 16. Het spreken waarin het subject zichzelf gestalte geeft volgens Lacan.
  11. 19. Benaming voor Derrida's 'oefeningen' om aan te tonen dat geopperde hiërarchische opposities zichzelf ondergraven in de tekst, toch niet zo eenduidig zijn, als psychoanalyse van een tekst
  12. 22. Term, gekoppeld aan het hedendaagse persoonlijkheidsideaal, die verwijst naar de idee van ontplooiing via interactie met de buitenwereld om tot een harmonische persoonlijkheid uit te groeien.
  13. 24. Lacans systematische orde van denken en handelen waar de persoon zichzelf uitdrukt via absoluut singuliere begrippen of algemeenheden, waar dus abstractie wordt gemaakt van de individualiteit van de gevoelens, met andere woorden niet gesymboliseerd kunnen worden; versmelting onderdeel van psyche bij Freud met Kants 'das Ding an sich'
  14. 25. Inhoudelijk onderdeel van de binaire eenheid in het taalsysteem van Saussure, inhoud die wordt betekend, betekende.
  15. 27. Welk begrip verwijst naar de opzet van Wittgenstein I om de omgangstaal te verhelderen, ze te ontdoen van hun ambiguïteit via reductie tot atomaire proposities die (al dan niet) overeenkomen met de 'stand van zaken' of de werkelijkheid? (let op: voor spatie gebruik je "*")
  16. 28. De hedendaagse voorstelling van de mens als een op zichzelf staand individu(eel subject) is het '...' persoonlijkheidsideaal.
  17. 30. Begrip dat staat voor de dubbele beweging die betekenen volgens Derrida met zich meebrengt: onderscheiden en uitstellen.
  18. 31. Wittgenstein II doet afstand van zijn correspondentietheorie, de prioriteit van taal is het alledaagse (dus niet de logica van taal) waarbij de betekenis van de termen ligt in de manier waarop ze worden gebruikt, 'meanig is ...'.
Down
  1. 1. In Fouclauts 'Les Mots Et Les Choses' beschrijft hij een 'kortsluiting' ten gevolge van de menswetenschappen, de mens wordt tegelijk subject en object van het weten, wat is het effect hiervan op de mens? (let op: voor spatie gebruik je "*")
  2. 2. De allesbepalende context van de taalhandeling, zowel de participatie aan deze context als het gebruik van de taal zelf bij Wittgenstein II; volgens mij ongeveer gelijk aan het geheel van aangeleerde geïnternaliseerde sociale rollen.
  3. 5. Lacans systematische orde van denken en handelen waar de persoon zichzelf identificeert met woorden, intrede van het oedipale gebeuren waarna het kind zich identificeert met zijn eigen naam (uitbouwen eigen persoon) en later ook met de achternaam van de vader (inschrijven in ruimere orde en acceptatie heersende regels); analoog met onderdelen psyche van Freud
  4. 6. Het binaire verband binnen de componenten van het taalsysteem is volgens Saussure volstrekt '...'.
  5. 8. Plato's gedachte dat schrift 'een teken van een teken' is, of anders: dat een afbeelding van de zintuiglijke wereld schijn is omdat de zintuigelijke wereld op zich al een schaduw is van de ideeënwereld, wordt ook wel 'dubbele ...' genoemd.
  6. 11. Belangrijke stelling binnen de object theory of meaning, 'de betekenis van een term ís het voorwerp waarnaar het verwijst', connotatie versmelt met denotatie, 'meaning is ...'.
  7. 14. Begrip dat staat voor de gedachte van Derrida dat elk teken wordt gemarkeerd door wat het zelf niet is, dus in zichzelf een spoor van andere tekens bevat en daardoor een aanwezigheid die een afwezigheid is.
  8. 17. Begrip dat staat voor de stelling 'elk betekenen is een schrijven', waar dus het gesproken woord ook kan worden verklaard met de eigenschappen van het schrift (vs. Plato), Derrida's schriftuur
  9. 18. Akoestisch onderdeel van de binaire eenheid in het taalsysteem van Saussure, vorm die betekent, betekenaar.
  10. 20. Het stadium bij Lacan waarbij het kind, en bij uitbreiding de mens, zijn identiteit constitueert op grond van de identificatie met zijn reflectie die hij/zij ervaart als een ander.
  11. 21. Foucaults metafoor voor zijn onderzoek naar de epistemologische infrastructuur van de historische vormen van weten.
  12. 23. Concept voor modellen van wetenschapsbeoefening waar de nadruk wordt gelegd op de veranderlijkheid en normativiteit van die modellen door heen de tijd, voor het eerst gebruikt door Thomas Kuhn
  13. 26. Het geheel van bestaande vertogen waarvan het subject gebruikt maakt om zichzelf en de wereld gestalte te geven.
  14. 29. Term bij Lacan verwant met het geheel van bestaande vertogen als taalsysteem, geheel van (cultuur)verhalen, personen die deze verhalen vertelden en de zinnen zelf.