Across
- 4. – Je lichaam wilt eten, je buik voelt leeg.
- 6. – Als je veel van iemand houdt.
- 7. – Een plek (tafel) waar je hulp kunt vragen, bijvoorbeeld in een ziekenhuis of hotel.
- 8. – Niet goed, fijn of mooi. Het is niet leuk.
- 10. – Niet dik.
- 13. – Blij en je lacht veel.
- 15. – Iemand doet raar of anders dan normaal.
- 16. – Een smaak zoals suiker, honing of snoep.
- 17. – Een instrument om muziek te maken, je speelt erop met je vingers.
- 18. – Iets waar je om moet lachen.
- 19. – Een klein lichtje dat je ’s nachts in de lucht ziet.
- 21. – Je vindt het niet mooi.
- 24. – Niet negatief. Het is juist goed, mooi of fijn.
- 25. – Wat je proeft met je mond (bijvoorbeeld zoet of zout).
- 26. – De dokter maakt je lichaam open om je beter te maken.
- 28. – Vies maken met eten of drinken, bijvoorbeeld als eten op tafel of op de grond valt.
Down
- 1. – Iets is normaal voor jou omdat je het vaak doet of hebt gedaan.
- 2. – Informatie over een persoon: naam, adres, telefoonnummer.
- 3. – Weer denken aan iets van vroeger.
- 5. – Eten dat je op vaste tijden eet (zoals ontbijt of avondeten).
- 9. – Rustig kunnen wachten zonder boos te worden.
- 11. – Geld dat je krijgt van de overheid als je niet werkt.
- 12. – Je hebt geen werk.
- 14. – Je kunt iets niet goed met je lichaam of hoofd (bijvoorbeeld lopen of zien).
- 20. – Je hebt veel geld en kunt veel kopen.
- 22. – De tijd dat je bestaat, van je geboorte tot je dood.
- 23. – Een broek van sterke blauwe stof (jeans).
- 27. – Lichtgeel haar.
