Woorden 7.11 en 7.13

12345678910111213141516171819202122232425262728
Across
  1. 4. – Je lichaam wilt eten, je buik voelt leeg.
  2. 6. – Als je veel van iemand houdt.
  3. 7. – Een plek (tafel) waar je hulp kunt vragen, bijvoorbeeld in een ziekenhuis of hotel.
  4. 8. – Niet goed, fijn of mooi. Het is niet leuk.
  5. 10. – Niet dik.
  6. 13. – Blij en je lacht veel.
  7. 15. – Iemand doet raar of anders dan normaal.
  8. 16. – Een smaak zoals suiker, honing of snoep.
  9. 17. – Een instrument om muziek te maken, je speelt erop met je vingers.
  10. 18. – Iets waar je om moet lachen.
  11. 19. – Een klein lichtje dat je ’s nachts in de lucht ziet.
  12. 21. – Je vindt het niet mooi.
  13. 24. – Niet negatief. Het is juist goed, mooi of fijn.
  14. 25. – Wat je proeft met je mond (bijvoorbeeld zoet of zout).
  15. 26. – De dokter maakt je lichaam open om je beter te maken.
  16. 28. – Vies maken met eten of drinken, bijvoorbeeld als eten op tafel of op de grond valt.
Down
  1. 1. – Iets is normaal voor jou omdat je het vaak doet of hebt gedaan.
  2. 2. – Informatie over een persoon: naam, adres, telefoonnummer.
  3. 3. – Weer denken aan iets van vroeger.
  4. 5. – Eten dat je op vaste tijden eet (zoals ontbijt of avondeten).
  5. 9. – Rustig kunnen wachten zonder boos te worden.
  6. 11. – Geld dat je krijgt van de overheid als je niet werkt.
  7. 12. – Je hebt geen werk.
  8. 14. – Je kunt iets niet goed met je lichaam of hoofd (bijvoorbeeld lopen of zien).
  9. 20. – Je hebt veel geld en kunt veel kopen.
  10. 22. – De tijd dat je bestaat, van je geboorte tot je dood.
  11. 23. – Een broek van sterke blauwe stof (jeans).
  12. 27. – Lichtgeel haar.