Woorden week 27 groep 6

12345678910
Across
  1. 3. Een auto waarin je zand of stenen vervoert.
  2. 7. Alles wat je nodig hebt om een gebouw te bouwen.
  3. 9. Iemand die voor zijn beroep dingen afbreekt of uit elkaar haalt.
  4. 10. Een grote, zware hamer.
Down
  1. 1. Een voertuig dat de boer gebruikt op het land.
  2. 2. De buizen onder de grond, waardoor het afvalwater stroomt dat uit de huizen komt.
  3. 4. Een hek dat je ergens omheen zet.
  4. 5. Een machine waarmee je het asfalt glad maakt.
  5. 6. Iets uit elkaar halen of afbreken.
  6. 8. Iets of iemand wegbrengen naar een andere plaats.