Woordenschat Taal

123456789101112131415161718
Across
  1. 2. Iets wat je gebruikt om iets of iemand van de ene naar de andere plaats te brengen.
  2. 4. Het meeste of hoogste.
  3. 6. Regelmatig terugkerend.
  4. 7. Alle meubels bij elkaar.
  5. 13. Wat iedereen kan gebruiken.
  6. 14. Voor de hand liggend, natuurlijk.
  7. 15. Dat wat je opschrijft.
  8. 17. Een wijk met nieuwe huizen en wegen.
  9. 18. Weinig van iets
Down
  1. 1. Het minste of laagste.
  2. 3. Laten merken dat je ergens blij mee bent.
  3. 5. Ergens kunnen komen.
  4. 8. De omgeving waar je woont.
  5. 9. Gelukt.
  6. 10. Strook grond waarin planten en bloemen staan.
  7. 11. Alles wat ergens gebouwd is.
  8. 12. Alle personen en vervoermiddelen die de weg gebruiken.
  9. 16. Ergens zijn zonder iets te doen.