Woordenschat Taal: thema 3

1234567891011121314151617181920
Across
  1. 3. Iemand die geschikt is of zich voorstelt voor een job of opdracht.
  2. 5. Kiezen uit bepaalde dingen.
  3. 7. Iemand die vertelt wat er ergens gebeurd is en daarover een reportage maakt of artikel schrijft.
  4. 10. Iets dat echt is bestemd.
  5. 11. Duidelijk praten zodat iedereen je begrijpt.
  6. 12. Iets wat een tijdje in de mode is, 'in' is.
  7. 13. Deze persoon bestuurt samen met de koning het land.
  8. 16. Wat goed voor je is, wat je goed uitkomt.
  9. 17. Een persoon waarvan andere mensen denken dat hij/zij iets fout gedaan heeft.
  10. 18. Een stof in sommige dranken waar je dronken van wordt.
  11. 19. Een moment waarop je aan een jury kan tonen wat je kunt. Bijvoorbeeld om mee te spelen in toneelstuk of film.
  12. 20. Een weg om op te rijden of een job/werk om geld te verdienen.
Down
  1. 1. Losse stukjes van een opname samenvoegen, in elkaar zetten.
  2. 2. In het midden.
  3. 4. Een stukje in de krant om iets om iets te koop aan te bieden.
  4. 6. Groep mensen die samen met de minister en de koning het land besturen.
  5. 8. Verslag in de krant, op tv of radio over wat er is gebeurd.
  6. 9. Hoe een tekst is opgebouwd.
  7. 14. Meteen zeggen wat je denkt of zomaar iets leuks doen zonder lang na te denken.
  8. 15. Het buitenste laagje van een voorwerp eraf halen.