Woordenschat Taal: thema 3

1234567891011121314151617
Across
  1. 3. Hoe een tekst is opgebouwd.
  2. 6. Iemand die geschikt is of zich voorstelt voor een job of opdracht.
  3. 9. Wat goed voor je is, wat je goed uitkomt.
  4. 10. Het buitenste laagje van een voorwerp eraf halen.
  5. 12. Een moment waarop je aan een jury kan tonen wat je kunt. Bijvoorbeeld om mee te spelen in toneelstuk of film.
  6. 13. Duidelijk praten zodat iedereen je begrijpt.
  7. 14. Iets wat een tijdje in de mode is, 'in' is.
  8. 17. In het midden.
Down
  1. 1. Meteen zeggen wat je denkt of zomaar iets leuks doen zonder lang na te denken.
  2. 2. Iemand die vertelt wat er ergens gebeurd is en daarover een reportage maakt of artikel schrijft.
  3. 4. Verslag in de krant, op tv of radio over wat er is gebeurd.
  4. 5. Een stukje in de krant om iets om iets te koop aan te bieden.
  5. 7. Losse stukjes van een opname samenvoegen, in elkaar zetten.
  6. 8. Een persoon waarvan andere mensen denken dat hij/zij iets fout gedaan heeft.
  7. 10. Kiezen uit bepaalde dingen.
  8. 11. Een weg om op te rijden of een job/werk om geld te verdienen.
  9. 15. Een stof in sommige dranken waar je dronken van wordt.
  10. 16. Iets dat echt is bestemd.