Woordenschat week 36

123456789101112131415
Across
  1. 2. Zonder gevaar
  2. 6. Groente of fruit dat bruin en zacht is en je niet meer kunt eten
  3. 8. Pas geoogst, net uit de grond of van de boom gehaald
  4. 10. Iets wat gemaakt is of op het land gegroeid is
  5. 11. Van te voren bedenken hoe iets of iemand zal zijn
  6. 13. Iets weggooien wat je nog goed kunt gebruiken
  7. 14. Iets in de vuilnisbak gooien
  8. 15. Minder uitgeven of verbruiken
Down
  1. 1. Op een plaats komen
  2. 3. Iets weggooien wat je nog goed kunt gebruiken
  3. 4. Een bepaalde hoeveelheid, meestal voedsel
  4. 5. Slap hangen van een plant
  5. 7. Ergens neerzetten of neerleggen voor later
  6. 9. Gevaarlijk
  7. 12. Rotten, vies worden omdat het te oud is