Woordenschat week 5

12345678910
Across
  1. 5. Programma's en applicaties die op een computer of ander apparaat draaien.
  2. 6. Inbreken op een computer door slim te programmeren.
  3. 9. Toestand van een voorwerp. Bijvoorbeeld: aan of uit, open of dicht, 23 graden
  4. 10. Het uitwisselen van informatie, ideeën, emoties, enzovoort, door middel van taal, gebaren, schrijven of andere methoden.
Down
  1. 1. Een hacker is iemand die computersystemen onderzoekt. Ze kunnen goed (helpen) of slecht (schade) zijn
  2. 2. Bij computers worden vaak programmaatjes bedoeld die ergens handig voor zijn. Bijvoorbeeld: de chat-tool
  3. 3. Iets goed bekijken of lezen om het te leren of te begrijpen.
  4. 4. Typen van instructies of opdrachten voor een computer.
  5. 7. Communiceren via de computer, het digibord of je mobieltje.
  6. 8. Mogelijkheid om alleen te zijn of iets voor jezelf te houden zonder dat anderen iets van je zien of alles van je weten.
  7. 10. Tekst van je programma. De computer kan deze tekst begrijpen en de opdrachten uitvoeren.