Woordjes van de week. Week 1,2 &3

123456789
Across
  1. 4. uitleggen waarom jij gelijk hebt. Tot hij je gelijk geeft.
  2. 5. eenvoudig
  3. 7. iemand vindt zichzelf neter dan andere mensen. Hij kijkt op andere neer.
  4. 9. als je iets of iemand nadert, kom je steeds dichterbij.
Down
  1. 1. je maakt er raclame voor. Je zorgt dan dat iets of iemand bekend wordt.
  2. 2. verkoopt vlees van gevogelte (kip, kalkoen, fazant) en wild (haas, konijn, ree)
  3. 3. iets wat gebeurt. Je kunt het zien en meemaken.
  4. 4. het trekt erg de aandacht. Het valt erg op.
  5. 5. niet veel bijzonders, je hebt er weinig aan.
  6. 6. een winkeltje met spullen die in de mode zijn.
  7. 8. een stevig katoenen stof