Across
- 2. Mijn ringvinger is ... dan mijn pink.
- 5. Hij ... over de ruzie met zijn vriend.
- 8. We ... samen met het hele gezin in het park.
- 9. 's Nachts is het altijd ... .
- 10. Mijn vriendin heeft ... sjaal als ik.
- 12. We hebben meer juffen op onze school dan ... .
- 14. Heel het bed lag vol ... .
- 15. Dit ... past niet op het potje.
- 17. Hij zat ... op een bankje.
Down
- 1. Mag ik in de ... zitten?
- 2. Ik draag ... om in de plassen te springen.
- 3. De ... is rond.
- 4. Ik heb de ... snoepzak.
- 6. Als je verliefd bent, heb je ... in je buik.
- 7. De ... hebben een diefstal gepleegd.
- 10. De mama kreeg twee meisjes. Ze heeft dus twee ... .
- 11. Samen met de hele klas ... we naar het verkeerspark.
- 13. Een egel heeft veel ... .
- 14. We pakten onze ... voor op vakantie.
- 16. Ik wil ... een ijsje dan een pannenkoek.
