Woordspoor thema: Naar het pretpark week 1

12345678910111213
Across
  1. 2. Je knieën buigen en laag bij de grond gaan zitten.
  2. 7. Een tuin met veel weggetjes en heggen. Je kunt er makkelijk verdwalen.
  3. 8. Een dier dat wordt gebruikt om vracht of een verpakking te dragen.
  4. 9. Deze dieren zijn schuw en blijven uit de buurt van mensen.
  5. 11. De weg kwijtraken. Je weet niet meer waar je bent en waar je heen moet.
  6. 12. Een gebaar maken om iemand iets duidelijk te maken. Bijvoorbeeld om stil te zijn of om te komen.
  7. 13. Een pad waar de wegen zich splitsen.
Down
  1. 1. Goederen/spullen die ergens heengebracht worden.
  2. 3. Een dier dat wordt gebruikt om mensen te vervoeren.
  3. 4. Een weg die zomaar ophoudt. Je kunt dan niet meer verder.
  4. 5. Een dier dat gewend is aan mensen. Je kunt ze aaien zonder dat ze bang worden.
  5. 6. Een dier dat wordt gebruikt om een kar of slee te trekken.
  6. 10. De lange haren op het hoofd en de nek van een dier.