Across
- 2. Je knieën buigen en laag bij de grond gaan zitten.
- 7. Een tuin met veel weggetjes en heggen. Je kunt er makkelijk verdwalen.
- 8. Een dier dat wordt gebruikt om vracht of een verpakking te dragen.
- 9. Deze dieren zijn schuw en blijven uit de buurt van mensen.
- 11. De weg kwijtraken. Je weet niet meer waar je bent en waar je heen moet.
- 12. Een gebaar maken om iemand iets duidelijk te maken. Bijvoorbeeld om stil te zijn of om te komen.
- 13. Een pad waar de wegen zich splitsen.
Down
- 1. Goederen/spullen die ergens heengebracht worden.
- 3. Een dier dat wordt gebruikt om mensen te vervoeren.
- 4. Een weg die zomaar ophoudt. Je kunt dan niet meer verder.
- 5. Een dier dat gewend is aan mensen. Je kunt ze aaien zonder dat ze bang worden.
- 6. Een dier dat wordt gebruikt om een kar of slee te trekken.
- 10. De lange haren op het hoofd en de nek van een dier.
