words lesson 2- Caatje knoope

123456789
Across
  1. 2. wait : je moet het meestal bij een bus.
  2. 3. : iets waarin jekan rijden.
  3. 6. day : de dag waar iedereen elkaar leuk vind.
  4. 7. : een voertuig waar je mensen mee kan wegbrengen/ ophalen.
  5. 8. : je moet meestal lachen.
Down
  1. 1. travel : je gaat dan naar een bepaaklde bestemming met een voertuig.
  2. 2. : je kan het kopen om ergens binnen te gaan.
  3. 4. : waar mensen meestal dansen.
  4. 5. : een heks is meestal niet heel aardig.
  5. 9. year : meestal steken ze vuurwerk af.