words lesson 2 - Senna Limberg

12345678910
Across
  1. 2. Je kan er mee vliegen
  2. 4. Wat je moet betalen
  3. 7. Iemand die mee reist
  4. 8. Tegenovergestelde van snel
  5. 9. Een voertuig met twee wielen met trappers
  6. 10. Als je schrikt van iets
Down
  1. 1. Niet onvelig maar...
  2. 3. Het tegenovergestelde van goedkoop
  3. 5. Veel op pad gaan
  4. 6. Daar rijd een trein op