Zomervakantie!!!

12345678910
Across
  1. 4. smeer je je mee in
  2. 5. zo ga je er heen
  3. 6. draag je aan je voeten
  4. 9. ergens anders gaan eten
  5. 10. daar loop je in op het strand
Down
  1. 1. je wordt er nat van
  2. 2. tegen de zon
  3. 3. dan je gaat opvakantie
  4. 6. kleren kopen
  5. 7. je zussen/broers en vader en moeder
  6. 8. niet binnen