Across
- 2. verpleegster
- 4. iemand die woont in een paleis
- 8. verft een huis
- 9. gebruikt de dokter
- 11. zoetigheid voor in de thee
- 12. weinig
- 15. gebruik je als je verkouden bent
- 16. niet goed
- 19. iemand die de baas is
- 20. niet voorover maar....
Down
- 1. bv.auto's, bus, trein
- 3. twee auto's komen tegen elkaar aan
- 5. iemand in het leger
- 6. 's morgens
- 7. steeds het zelfde doen, daar ben je aan gewend
- 10. netjes
- 12. doe je bij de supermarkt
- 13. iemand slaan
- 14. kind in de klas
- 17. geen alcohol drinken
- 18. moet je doen
- 21. dan ga je huilen
- 22. daar geeft een rechter straf aan een boef
