Across
- 3. Dit is de reden dat je spaart. Er zijn er drie van: voor een doel, voor de rente, uit voorzorg.
- 6. Gewone uitgaven voor boodschappen die je betaalt met het huishoudgeld.
- 8. Geld gebruiken waar je zelf niet over beschikt.
- 9. Een vergoeding over je spaargeld door de bank. Geld dat je moet betalen aan de bank als je geld geleend hebt.
- 10. Het niet uitgeven, maar bewaren van een deel van je inkomsten
- 12. Een overzicht van de uitgaven die je nog moet doen en de inkomsten die je nog moet krijgen.
Down
- 1. Ruilen met geld als ruilmiddel.
- 2. Uitgaven voor het huishouden en de kosten die regelmatig terugkeren.
- 4. Uitgaven die je niet zo vaak, of waar je voor moet sparen.
- 5. Ruilen van goederen tegen goederen (of diensten)zonder gebruik te maken van geld.
- 7. Een inkomen betaald door de overheid. Dit geldt voor bepaalde situaties, bijvoorbeeld als je oud bent of langdurig ziek bent.
- 11. Het geld dat binnenkomt voor je huishouden.
