hotel

123456789
Across
  1. 2. Een hotel ... = reserveren.
  2. 4. De kamer is niet vrij.
  3. 7. De boeking stoppen.
  4. 9. Hier kan je slapen.
Down
  1. 1. Hier ga je inchecken en uitchecken.
  2. 3. Hier kan je zwemmen.
  3. 5. Zij poetst de hotelkamer.
  4. 6. 's Morgens kan je dit eten.
  5. 8. In deze kamer kan je zitten en ontspannen.