Across
- 1. De kat kan _____.
- 4. Die regelt het verkeer.
- 5. Aan de _____ kan je je warmen.
- 6. Wat je niet kookt of bakt, eet je _____.
- 7. De kip die legt het.
- 11. Ik schrijf mijn verjaardag op de _____.
- 12. Bij de kerk is er een _____.
- 13. De vijfde maand.
Down
- 1. Boetseren doen we met _____.
- 2. Ik kom niet te voet, niet met de fiets maar met de ____ naar school.
- 3. Ik ga graag stappen in de _____.
- 4. We waren met twee op stap. Op het einde waren we _____ moe.
- 8. Haal jij _____ uit de automaat?
- 9. Kan jij een _____ bewaren?
- 10. De koning woont in een _____.
