Prepositions

12345678910
Across
  1. 2. naar de andere kant gaan
  2. 3. lager dan iets maar boven de grond
  3. 4. door wie het gemaakt is
  4. 5. ergens binnenkomen
  5. 8. een specifieke tijd
  6. 9. weekdagen
  7. 10. door iets bedekt zijn
Down
  1. 1. van wie je iets krijgt
  2. 2. waar iets over gaat
  3. 3. hoe je reist
  4. 6. ergens opgaan
  5. 7. verleden tot nu