Across
- 2. Het toneel oplopen.
- 5. Klaar voor gebruik.
- 7. Elkaar niet goed begrijpen.
- 8. Iemand die pakjes langsbrengt.
- 9. Wat je wilt kopen.
Down
- 1. Blij dat het niet zo erg is.
- 3. Van het toneel aflopen.
- 4. Als je heel bang bent en niet weet wat je moet doen.
- 6. Aan de bewegingen van iemands mond kunnen zien wat hij zegt.
