Across
- 5. wij kopen
- 6. ik heb
- 7. ik ga naar binnen
- 8. jullie wandelen
- 10. u begrijpt
- 12. ik zorg voor
- 13. zij laten
- 16. jullie begroeten
- 18. hij laat
- 19. wij drinken
- 20. jij bent
- 22. jullie drinken
Down
- 1. jij wilt
- 2. wij bezoeken
- 3. jij zingt
- 4. zij zijn
- 5. wij zingen
- 9. hij bereidt
- 11. jij wil liever
- 14. jullie zijn (jullie bevinden je)
- 15. zij worden ... jaar oud
- 17. zij hebben
- 21. zij zijn (zij bevinden zich)
