Wie zoekt, die vindt

1234567891011
Across
  1. 3. een rond voorwerp dat voorkomt in verschillende formaten. Het kan gebruikt worden bij verschillende sporten.
  2. 4. soort vrucht. Het heeft een ronde vorm en kan een rode of groene kleur hebben. Groeit aan bomen.
  3. 6. een vervoersmiddel dat veel mensen ineens kan vervoeren. Het heeft geen wielen. Je moet een kaartje kopen in een station.
  4. 8. een voorwerp dat je gebruikt om te poetsen. Je moet het in het stopcontact steken en het maakt lawaai. Het zuigt het stof weg.
  5. 9. het is gereedschap. Je gebruikt het om spijkers ergens in te slaan.
  6. 11. een voorwerp uit de keuken, waar water uitkomt.
Down
  1. 1. iets uit de eetkamer waar je aan kan zitten om te eten.
  2. 2. waar je je spaarcentjes naartoe brengt.
  3. 5. je koopt het bij de bakker, de meeste mensen eten het vooral in het weekend. Het is rond maar kleiner dan een brood.
  4. 6. je gebruikt het om met andere mensen in contact te komen. Je moet juist hun nummer intikken.
  5. 7. klein, grijs knaagdiertje met lange staart. Het eet graag kaas en poezen zijn hun grote vijand.
  6. 9. een huisdier met 4 poten dat blaft.
  7. 10. je kan er in lezen. Het is van papier gemaakt en de meeste mensen lezen het ’s ochtends. Het staat vol nieuws.