Across
- 4. – iets nodig hebben van iemand of iets anders.
- 5. – in ieder geval; niet minder dan.
- 6. – iets gereed maken voor gebruik.
- 9. – iets maken dat kapot is.
- 10. – ergens in zitten of onderdeel zijn van iets.
- 13. – iemand die bij een bedrijf of organisatie werkt.
- 15. – geld krijgen voor werk dat je doet.
- 16. – een keer in het verleden of in de toekomst.
- 17. – bijvoorbeeld.
- 21. – iets veranderen of verbeteren.
- 22. – daarna, de volgende stap.
- 23. – het kleinste aantal of de laagste hoeveelheid.
- 24. – een voertuig dat door de lucht vliegt.
- 25. – iets dat je bang of zenuwachtig maakt.
- 26. –dat iets soepel, makkelijk of zonder problemen verloopt, bijvoorbeeld een taal heel goed kunnen spreken.
- 29. – vuil weghalen zodat iets schoon wordt.
- 30. – hulp en verzorging die iemand thuis krijgt, bijvoorbeeld bij schoonmaken, wassen of aankleden.
- 32. – zorgen dat iets klaar is om te beginnen.
- 33. – kennis die je krijgt door iets te doen of mee te maken.
Down
- 1. – woorden of teksten in een andere taal zetten.
- 2. – op dit moment, nu.
- 3. – de taken en het werk dat iemand moet doen voor een baan of opdracht.
- 7. – iemand die machines, apparaten of installaties maakt of repareert.
- 8. – het bedrag dat je overhoudt nadat belasting en andere kosten zijn betaald.
- 11. – verschillende delen bij elkaar zetten tot één geheel.
- 12. – alle mensen die bij een organisatie werken.
- 14. – na een langere tijd of na verschillende gebeurtenissen.
- 18. – iemand die veel regels heeft en erop let dat ze gevolgd worden.
- 19. – met gesproken woorden, niet geschreven.
- 20. – vragen om een baan.
- 27. – meteen, zonder te wachten.
- 28. – graag willen dat iets gebeurt.
- 31. – vreemd of anders dan normaal.
- 33. – heel blij en gemotiveerd.
